We zaten in de auto. En dan hebben we altijd wel iets te kletsen. Ik begon mijn volgende zin met “Ik vraag me af…”. Maar werd onderbroken. “Heb jij in de gaten hoe vaak je dat zegt? Dat jij je iets afvraagt?”.

Nee. Niet dat ik dat zeg. Wel dat ik dat doe. 

Het vergelijk kwam met een ‘stopwoordje’, of ‘stopzinnetje’ eigenlijk. Dat je dingen heel vaak zegt. Vaak aan het eind of soms ergens middenin een zin. Vulwoordjes ook. Ik ben nogal van de ‘ummetjes’. Die vullen mijn zinnen. Er zijn hele volksstammen die om de haverklap “zeg maar” zeggen. “Je kunt, zeg maar, hele zinnen vullen met extra woorden”. En ook een “dus, ja…” wil nog wel eens voorkomen. Dus ja, het vergelijk was, zeg maar, nogal helder: ik schijn me dus heul veul af te vragen. 

Waardoor ik me dus afvroeg of dat dan bij mij anders is dan bij anderen. Dat ik me meer afvraag dan anderen. En ik vroeg me meteen ook af of daar onderzoek naar is gedaan. 

Het kan niet anders dan dat daar onderzoek naar is gedaan. Er zal zeker ergens een taalkundige zijn die met een koptelefoon op naar alledaagse gesprekken zit te luisteren, van tijdens de boodschappen, of een wandeling, of bij een doodsaaie bestuursvergadering. En die dan nauwkeurig noteert hoe vaak iemand “eh”, “zeg maar”, “weet je wel”, of “dus” zegt. En dat daar dan een rapport uit komt rollen, met grafieken en tabellen, en een ernstige titel als “Discourse Markers in Alledaagse Conversatie”.

Ik stel me zo’n onderzoek dan voor als een soort vogeltelling, maar dan voor stopwoordjes. “Vandaag weer een mooie verzameling Zeg-Maar’en gezien, met een aantal loslopende Of-Zo’s, zomaar in het wild. En overigens ook nog een aardige waarneming: een exemplaar dat de hele dag door “ik vraag me af…” zegt, heel bijzonder”.

Maar serieus, er is inderdaad onderzoek naar gedaan. “Discourse Markers” bestaan dus echt. Zo ook “Hedges”. Alsof je een haag om je zin heen plant, zodat je niet hoeft te zeggen: “Het is zo”, maar: “Ik denk dat het zo zou kunnen zijn, misschien”.

Dit alles ligt in het domein van taalpragmatiek: hoe we taal gebruiken om onze gedachten of houding uit te drukken. Sommige mensen hebben de gewoonte om hun zinnen te beginnen met een reflectieve of voorzichtige aanhef. Dat zegt dan iets over hun cognitieve of communicatieve stijl, niet persé dat ze meer twijfelen of meer nadenken.

“Ik vraag me af…” hoort daar ook bij. Het is een soort taalkundige rem. Geen oordeel, maar een open eindje. Net niet zeker weten, maar wel nieuwsgierig zijn.

En dan is er nog de psychologie natuurlijk. Daar blijken ze ook nog een pak mooie termen op voorraad te hebben. Trait Reflection, Rumination vs. Reflection, met een lijntje naar Openness to Experience, één van de Big Five persoonlijkheidskenmerken, zo las ik. Mensen die vaak “ik vraag me af” zeggen, blijken dan net iets vaker het type te zijn dat graag nadenkt over zichzelf, de wereld, en alles daartussenin. Nieuwsgierig, leergierig, een tikje filosofisch.

Met andere woorden: het is niet zomaar ‘vulling’. Het verraadt een denkstijl.

Ik vraag me hierna nog wel af of er onderzoek is gedaan naar mensen die zich afvragen of er onderzoek is gedaan naar mensen die zich veel afvragen. Misschien is dat wel heel erg niche, maar mogelijk een heel interessant sub-domein. Het zou me niets verbazen als daar dan weer een proefschrift over zou bestaan. Met een titel in de trant van: “Metaniveau van alledaagse zelfquestionering tijdens gesprekken in de auto”.

Hoe dan ook, het zijn dus eigenlijk geen stopwoorden, en geen stopzinnen. Het zijn eerder aanleidingen tot diepere beschouwingen of verwonderingen. En dus, misschien wel, vraag ik me af, beter gezegd: startwoorden

Category
Tags

Comments are closed